‘Het is beter als je je stilgeboren baby niet ziet’ (Deel 1)

stilgeboren

Dat was de overtuiging die er heerste is de jaren ’70 en ’80. In de jaren 90 werd het als ietsje beter maar nog is er weinig aandacht en openheid over stilgeboren baby’s. Dat maakt het rouwproces zoveel complexer. Alles wat weggestopt is komt uiteindelijk weer terug, altijd!

Conny werd 50 jaar geleden stilgeboren

Hanny van Olst: ‘Mijn zwangerschap verliep voorspoedig tot vijf maanden, toen bleek dat ik een hoge bloeddruk had. Ik wist niet wat dat precies betekende en er werd verder ook niks uitgelegd. Met zeven maanden werd ik opgenomen in het ziekenhuis en moest ik volledige rust houden. Ik mocht niks, zelfs niet naar de w.c, ik mocht alleen maar liggen. Dat was moeilijk, want ik voelde me kiplekker. Ze zullen het wel weten. Mij werd niks verteld. Op een dag hoorde ik in een gesprek tussen de hoofdzuster en de gynaecoloog dat ze van plan waren om de bevalling op te gaan wekken. ‘Wat is er aan de hand?’, onderbrak ik ze toen ik dat hoorde. Maar het enige antwoord dat hij gaf was: ‘Nou, als jij het niet wilt hebben, wil ik het wel hebben hoor.’ Het bleek dat ons babytje erg klein was, ze groeide niet goed. Ze wilden het opwekken zodat het in de couveuse verder kon groeien. Ik kreeg van alles toegediend, maar het duurde een paar dagen voordat de bevalling op gang kwam. Ik voelde me vreselijk en alleen. Het zou een stuitbevalling worden dat wisten we wel. Ook toen de bevalling op gang kwam, zette hij niet door.

Paniek

Ineens brak er paniek uit. Mijn man moest de verloskamer uit en mij brachten ze onder narcose. Mijn man stond te wachten op de gang, hij zag allemaal mensen naar binnen en naar buiten rennen maar er werd hem niks verteld. Toen onze dochter geboren was, kwamen ze naar hem toe en zeiden ze: ‘U heeft een dochter, maar ze is overleden.’ Ik hoorde van hem wat gebeurd was nadat ik uit de narcose kwam. Ik zou gewassen worden en hij zou naar het huis van mijn ouders gaan om te vertellen wat er gebeurd was. Mijn moeders reactie was gelijk: ‘Maar ik wil haar zien, de baby.’ Mijn man wilde dat eigenlijk ook graag, hij had Conny ook nog helemaal niet gezien. Dus ze gingen met z’n drieën terug naar het ziekenhuis.
Toen ze aankwamen en vertelde dat ze het kindje wilden zien, werd ze dat in eerste instantie geweigerd. Dat was niet gebruikelijk. ‘Dat gebeurde nooit’, werd ze gezegd. Een stilgeboren kindje werd niet getoond aan familie. Mijn man hield voet bij stuk. Ze moesten heel lang wachten. Ze konden het kindje niet vinden, werd er gezegd. Later bleek dat ze nog op het tafeltje in de verloskamer lag. Hij vermoedde dat ze het eerst nog moesten wassen omdat dat helemaal niet gebeurd was en dat het daarom zo lang duurde, maar dat weten we niet zeker. De vader en de opa en oma mochten het kindje zien, maar ik, haar eigen moeder niet. Dat zou heel slecht zijn voor de verwerking.

Spijt

Ik heb er achteraf vreselijk veel spijt van dat ik haar nooit heb gezien. Ik was wel aan het bijkomen van de bevalling, maar ik was prima in staat om haar te gaan bekijken. Ik heb niks van haar gezien, we hebben zelfs geen foto’s. Mijn man zei dat Conny een heel mooi meisje was. Ze had een waterhoofdje en een open ruggetje maar daar zag je weinig van. Na een jaar was ik weer zwanger. De zwangerschap en de geboorte gingen gepaard met veel angsten en spanningen. Onze tweede dochter Korien werd geboren, dat ging helemaal goed. Wanneer ik met de kinderwagen door het dorp liep, waar iedereen wist wat er was gebeurd met Conny, hoorde ik vaak: ‘Wat fijn dat je nu een dochter hebt.’ Iedereen dacht dat ik daarmee Conny wel zou vergeten. Dat was natuurlijk niet zo. Precies drie jaar later werd onze zoon Alex geboren, ook dat ging helemaal goed.

Lieve Engeltjes

Na de geboorte van mijn zoon kwam er een moment dat ik toch nog instortte. We waren verhuisd. Ik kende niemand in dat nieuwe dorp. De huisarts wist niks van me. Ik voel me volledig vreemd en alleen. Ik zag het niet meer zitten. Zelf weet ik wel dat het iets te maken moet hebben met het overlijden van Conny, maar het lijkt wel alsof verder niemand dat in de gaten heeft. De mensen om mij heen niet en de huisarts ook niet. Ik kon wel nagaan dat er een link was, zeker achteraf. Maar op dat moment kon ik alleen maar twijfelen aan mezelf. Als ik wel iets over Conny zei dan was het antwoord vaak: ‘Maar je hebt toch twee kinderen, waar heb je het over?’ Ik lag maar op bed en kon niks meer, het kon me ook niks meer schelen. Ik wilde dat ik er niet meer was. Ik had het gevoel alsof ik nergens voor deugde.

De arts wilde me laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Maar dat wilde ik niet, daar is het gelukkig ook niet van gekomen. Uiteindelijk heeft het me vooral geholpen om tijd door te brengen met mijn man. Af en een wandeling of samen een stukje rijden. Ik voelde me erg minderwaardig, maar hierdoor durfde ik stapje voor stapje de wereld weer in. Ik wist ook wel: ik moet verder, want dit kan ik mijn andere kinderen niet aan doen. Dat ik over dit onderwerp totaal geen aansluiting had met anderen was heel moeilijk. Pas toen we een computer kregen en ik Lieve Engeltjes ontdekte kwam die erkenning. Het was zo fijn om een keer níet te horen: ‘Ja maar het is al zo lang geleden’, of ‘Je hebt toch een gezin nu.’ Ik kon eindelijk praten met mensen die me begrepen, dat was een verademing.

Dossier opgevraagd

In het begin heb ik heel veel gehuild om Conny en ook nu zijn er nog periodes dat ik erg verdrietig ben. Het troost me om over haar te vertellen en misschien zo ook andere moeders te helpen. De lotgenotengroep Lieve Engeltjes heeft me heel erg geholpen. Ik begeleid een groep moeders voor wie het ook al langer geleden is, net als voor mij: eindelijk tastbaar. Ik ben er veel mee bezig, het helpt me. Veel van de lotgenoten uit mijn tijd hebben hun kindje niet gezien, sommige weten niet eens waar ze begraven liggen of wat er überhaupt mee is gebeurd. Via Lieve Engeltjes hoorde ik ook dat je het dossier van je bevalling op kunt vragen in het ziekenhuis. Dat heb ik gedaan. Bij de afspraak in het ziekenhuis hebben ze me alles verteld wat ze me konden vertellen. Dat is heel fijn. De arts die ons te woord stond beaamde dat het schrijnend is geweest hoe er toen mee om werd gegaan. Ze zei: ‘wat er is gebeurd kan ik niet veranderen, maar ik kan je wel vertellen wát er gebeurd is’. Ze vertelde over de te hoge bloeddruk, over de stuitbevalling en dat ik zelf ook in levensgevaar raakte. Het was pijnlijk om te horen, maar niks weten is altijd nog veel en veel erger.’

Patricia werd 40 jaar geleden stilgeboren

Elly Hop: ‘Na een vrij normale zwangerschap waarin ik de laatste weken regelmatig harde buiken had, maar verder geen weeën, ging ik op dinsdag naar de huisarts voor controle. De huisarts zei dat het heel goed kon dat ik dat weekend zou bevallen. Ik heb urine ingeleverd, waar veel vlokken in zaten. Maar dat kwam omdat het in de koelkast had gestaan, zei de doktersassistente… De nacht erna kreeg ik weeën, ik was bijna 39 weken. Nadat ik inmiddels weeën om de 5 minuten had, heb ik de huisarts gebeld. Hij kwam direct. Na inwendig onderzoek zei hij: ‘Ik ga je doorsturen naar het ziekenhuis, want ik kan het hartje niet zo goed horen en daar kunnen ze dat beter’. Mijn huisarts zei later dat hij toen al geen hartje meer hoorde (hij kon het hoofdje voelen) maar dat hij mij niet in paniek naar het ziekenhuis wilde laten gaan. Toen mijn man en ik in het ziekenhuis aankwamen en de gynaecoloog de controle uitvoerde, was er geen hartje meer. We waren in shock en heel erg verdrietig.

Laconiek

Ik ben naar de verloskamer gebracht en ze hebben me via een infuus ingeleid om te gaan bevallen. Dan lig je dus te werken voor niks. Ze hebben flink op mijn buik moeten drukken want elke keer als ze er bijna was ‘schoot ze weer terug’. Ik heb ook best wel wat morfine gehad, dus ik kan me alles niet helemaal meer herinneren. Wel dat ik vrij laconiek was. ‘Ach joh volgende keer beter’, schijn ik gezegd te hebben. Toen Patricia geboren was, heeft mijn man haar heel even gezien. Ze vroegen aan mij of ik haar wilde zien, maar dat wilde ik niet, durfde ik misschien niet op dat moment. Ik had geen idee, ik was nergens op voorbereid. Ik wist niet wat ik kon verwachten. Ik heb daar nu ontzettend veel spijt van. Ik hoorde later ook dat ze foto’s maakten van de kindjes die levend ter wereld waren gekomen, hadden ze dat ook maar van Patricia gedaan. Dan had ik die, als ik daar aan toe was, kunnen bekijken. Maar ik heb nu niks, helemaal niks van haar. Mijn man heeft gezegd, toen ons tweede kindje geboren werd, dat hij sprekend op haar leek, daar houd ik me maar aan vast. Het was een heel mooi, gaaf kindje zei hij.

Aan mijn lot overgelaten

Ze is op zaterdag begraven, ik was nog steeds in het ziekenhuis aan de bloedtransfusie. Ik had ontzettend veel bloed verloren en ben, naar wat ik later hoorde, door het oog van de naald gegaan. Ik ben hier verder totaal niet in begeleid. Niet vanuit het ziekenhuis, of vanuit de huisarts. Ik werd totaal aan mijn lot overgelaten. Er was ook niks in die tijd. ‘Succes en we zien je wel weer als je weer zwanger bent’, werd er gezegd. Met mijn man kon, en kan ik er moeilijk over praten. Gelukkig had ik toentertijd een buurvouw waar ik wel goed mijn verhaal kwijt kon. Maar verder heb me hier heel, heel erg alleen in gevoeld. Diezelfde buurvrouw vroeg of ze de babykamer misschien leeg moest halen en zelf de spulletjes zo lang moest bewaren. Dat wilde ik niet. Ik wilde alles zo laten staan, we hebben er een groot plastic zeil over gedaan en de deur dichtgetrokken. Soms ging ik er naar binnen om te bedenken hoe het zou zijn als… Pas toen onze zoon geboren werd, namen we het kamertje weer in gebruik.

Wat als…

In de eerste jaren heb ik er weinig aan kunnen denken, we kregen twee kinderen en het leven ging door. Toen zij wat ouder werden en ik meer tijd voor mezelf kreeg begon het malen. Dan ga je denken, wat als… Hoe zou ze zijn geweest, hoe was het geweest als ze er wel was geweest, was mijn jongste dochter er dan wel geweest? Ik raakte zwaar overspannen. Ik had wel door dat het met onverwerkt verdriet te maken had. Ik zocht eerst hulp bij de huisarts, maar daar kwam ik niet veel verder mee. Ik heb toen een verwijzing voor professionele hulp gevraagd en gekregen. Ik ben bij een psychologe in behandeling gegaan, zij raadde me aan om een keer naar haar grafje te gaan. ‘Misschien geeft het je rust’, zei zij. Dat heb ik gedaan en ik heb daar vreselijk staan huilen. Maar ja, daar haal je je kindje ook niet mee terug. Met periodes gaat het beter en slechter. Ik blijf om de zoveel tijd terugvallen, dan steekt het de kop weer op en is het helemaal mis. Dan kan ik niet meer met het gemis van mijn stilgeboren baby, Patricia omgaan. Mijn huisarts weet dat ook, dat ik dan weer bij hem op de stoep sta. Wat me wel heeft geholpen is het advies van een andere psychologe om aan haar een afscheidsbrief te schrijven. Die kan ik af en toe nalezen, soms er wat bijschrijven of er wat afhalen. Dat heeft me goed gedaan. Ik heb weinig tot geen lotgenoten in de buurt, maar als ik soms moeders spreek die hetzelfde hebben meegemaakt, dan kan ik daar wel met ze over praten. Dat blijft fijn.

Dit artikel staat in NEL Magazine 2 

Ook NEL Magazine 3 is nu verkrijgbaar

Stephanie werd 30 jaar geleden geboren

Stephanie is met 40 weken en 1 dag geboren en overleden. We hebben dat totaal niet aan zien komen. Toen de weeën begonnen, zijn we naar het ziekenhuis gegaan. Ik werd aangesloten op het CTG-
apparaat om haar hartslag in de gaten te houden. Het zag er goed uit. Het duurde wel lang voordat ze eruit kwam. Ik was bijna een uur aan het persen toen de arts de vacuümpomp erbij ging halen. Toen ze er eindelijk uitkwam, kreeg ik haar niet te zien maar ze namen haar meteen mee. Ook mijn man heeft haar niet gezien. Het gebeurde allemaal zo snel. Het was mijn eerste kindje dus ik wist niet wat ‘normaal’ was. We waren over met z’n tweeën en het duurde maar en duurde maar. ‘Wat duurt het lang’, zei ik tegen een leerling-verpleegkundige, ‘wat is er aan de hand’? ‘Ja, de arts komt zo bij u’, was haar antwoord. ‘Weet je al wat we hebben, is het een jongen of een meisje ging ik verder?’ ‘De arts komt zo bij u’, was haar antwoord weer. Na een hele tijd kwam de gynaecoloog met de kinderarts, (die met spoed was opgeroepen) binnen. ‘Het is niet goed’, zegt hij. ‘Wat is er niet goed?’ ‘Nou, ze is dood…’ stamelde hij. Totale ongeloof. Tijdens de bevalling was het hartje steeds goed, tot het laatste moment. Het wiegje met de warme kruik was al binnengereden. Het was zo onwerkelijk. ‘Mist ze iets, hebben we een gehandicapt kindje’, probeerde ik nog. ‘Nee, ze mist niks, ze is dood.’

Twintig minuten gereanimeerd

‘We hebben haar twintig minuten gereanimeerd, we hebben echt alles geprobeerd. Zelfs nog pure zuurstof toegediend, maar het mocht allemaal niet baten. Ik snap het ook niet.’ Zei de arts. Die man liep ook verloren rond. ‘Ik zou wel heel graag willen weten wat er gebeurd is’ zei hij. ‘Ik merkte namelijk dat ze totaal niet tegenstribbelde bij het laatste stukje, meestal doen baby’s dat, maar ik had een slappe pop in mijn handen. Toen wist ik al, dit is niet goed. Ze is dus echt op het laatste moment gestorven.’, legde hij uit. We hebben haar niet mee naar huis genomen. Twee keer afscheid nemen kon ik niet aan. Al onze familie is wel in het ziekenhuis geweest en daar hebben we afscheid van haar genomen. De verpleegsters waren erg lief voor ons. ‘Houd haar maar vast, geef haar maar een kusje.’ De volgende dag kwam er een begrafenisondernemer bij ons. ‘Wat willen jullie?’, was zijn vraag. Ik wilde geen grote mis, de pastoor kon me nu niks vertellen om het beter te maken. We wilden haar graag in besloten kring met de familie begraven en er zou een rouwadvertentie in de krant komen. ‘Het enige dat ik wel fijn zou vinden is dat de pastoor bij haar grafje komt voor een weesgegroetje’ zei ik tegen hem. Dat zou geregeld worden.

Hij kwam niet

Het was december en de begrafenis was aan het einde van de middag, het begon al een beetje te schemeren. De begrafenisondernemer was al bij het kerkhof, hij droeg het kistje. Ik zat in een rolstoel en werd geduwd. We stonden allemaal om het grafje heen, te wachten op meneer pastoor. Er was afgesproken dat hij het weesgegroetje zou doen, maar hij kwam niet. Na een tijdje zei de begrafenis-ondernemer, ‘zal ik het dan maar doen?’ ‘Ja, doe dat dan maar’, ik wist het verder ook niet. Daarna zijn we naar huis gegaan. Achteraf was ik niet tevreden over de begeleiding van de begrafenisondernemer. Hij heeft ons nergens op gewezen, we hebben geen kaarten verstuurd en er zijn geen bidprentjes gemaakt. De keuze over het kistje of een mandje werd niet benoemd. We hadden best een grote begrafenisondernemer maar hij kwam helemaal nergens mee. Ook van de zorginstanties heb ik niks gehoord, er was geen begeleiding of iets.

Je moet door

Gelukkig heb ik er met mijn man altijd wel heel goed over kunnen praten. Ik werd vrij snel zwanger van mijn andere kinderen. Het waren spannende tijden. Maar ze werden gezond geboren, twee zoons kreeg ik, Roy en Rens. Ik had het druk met de kinderen, je moet door. Natuurlijk dacht ik nog heel vaak aan Stephanie. Ik heb haar grafje altijd bijgehouden en thuis stond een tafeltje met haar foto waar ik altijd bloemen bij zette. Het leven ging door. Tot het moment dat ze 24 zou worden in 2015. Ik werd in die periode heel erg emotioneel, veel emotioneler dan ik alle jaren daarvoor was geweest. Ik kreeg ineens fysieke, onverklaarbare klachten. Het leek wel alsof ik in een depressie of een burn-out raakte. Ik zei tegen mijn man, er gebeurt iets. Alles raakte me ineens zo veel harder. Dit was ook het moment dat de inschrijving van stilgeboren kinderen in de BRP ineens overal op het nieuws was. Dat heeft me een zetje gegeven. Ik wilde ook weten of er ergens informatie over Stephanie was. Ik had helemaal niks, zelfs geen overlijdensakte. Bij het ziekenhuis konden ze niks over haar vinden. Ook niet toen ik vertelde dat ze levenloos geboren was. Ook niet onder mijn naam. Helemaal niks. Dat was een grote klap voor me. Ik ben naar de huisarts geweest om te kijken of er daar iets in een dossier of in mijn dossier zou staan. Maar ook daar werd Stephanie nergens genoemd. Mijn dossier begint op het moment dat ik zwanger was van Roy, haar broertje. Deze ontdekking maakte me intens verdrietig.

Beste beslissing

Ook al had de huisarts geen informatie over haar, ze raadde me wel aan om met iemand te gaan praten. Ik stond daar eerst niet zo voor open, maar na wat aandringen van haar heb ik dat toch gedaan. Het was de beste beslissing die ik kon nemen. Ik heb daarna veel gesprekken gehad, EMDR gevolgd en heb een aantal natuurgenezers bezocht. Er is toen veel bij me los gekomen, ook dingen waarvan ik niet eens wist dat ze me zo dwars zaten, maar die wel een trauma veroorzaakten. Eén van de dingen die me onbewust vreselijk heeft geraakt, was het moment dat ze haar wiegje wegreden. Toen Stephanie bijna geboren werd kwam de zuster aan met een wiegje met een warme kruik erin voor ons kindje. Het moment dat de arts vertelde dat ze overleden was, hebben ze dat wiegje weer weggereden, het was niet meer nodig voor mijn dochter. Dat beeld heeft me diep geraakt.

Deze pastoor kwam wel

Iets anders dat me vreselijk dwars zat, was mijn boosheid richting de kerk. De pastoor had beloofd om te komen, maar hij is nooit geweest. Hij heeft ons zo laten staan. Was ze niet belangrijk genoeg? Toen ik tijdens de uitvaart van mijn vader de nieuwe pastoor leerde kennen, trok ik de stoute schoenen aan. Ik vertelde hem mijn verhaal van 25 jaar geleden en vroeg hem of hij alsnog een Weesgegroetje bij haar graf zou willen doen op de dag van haar verjaardag. Hij was erg onder de indruk van ons verhaal en wilde ons heel erg graag helpen. Deze pastoor kwam wel. Netjes in het pak, met de bijbel onder zijn arm en een emmer wijwater. Hij maakt er een mini-ceremonie van. Hij had zelfs een persoonlijk verhaal voor ons gemaakt. Het was prachtig. Toen begreep ik het, dit was wat ik haar nog wilde geven. Ik heb mijn dochter zoveel niet kunnen geven wat ik wel wilde. We hebben haar geen kaarten of bidprentje kunnen geven, geen zelf uitgekozen kistje. Ik heb haar het leven niet kunnen geven. Vanaf dat moment is er iets veranderd. Natuurlijk heb ik nog wel eens terugvallen, maar dit heeft de verwerking wel op gang gebracht. Ook het feit dat we haar hebben bijgeschreven in de BRP (Basisregistratie Personen) heeft enorm geholpen. Ik durf nu echt te zeggen dat ik drie kinderen heb.

Tijd om uit huis te gaan

Haar 28ste verjaardag zit eraan te komen (tijdens het schrijven van dit stuk, red.) Ik ben laatst naar haar graf gegaan en heb gezegd. ‘Nu is het moment om uit huis te gaan lieve Stephanie. Je bent bijna ouder dan ik was op het moment dat ik je kreeg. Het is goed zo. Ik ga het loslaten.’ Ik merk aan mezelf dat ik sterker word, dat voelt als een klein feestje binnenin. Want het duurde lang. Het duurt lang, al zó lang. Je wilt zo graag dat het beter gaat. Beter met jezelf, beter met alles. Ik ben een lange weg gegaan. Maar ik voel nu wel dat ik er bijna ben. Alles is precies op het juiste moment gekomen. Ik heb het zelf overwonnen. Je moet het echt zelf doen, dan is er echt wel iets mogelijk.’

Lees verder over Milan en Timo die eind jaren ’90 werden geboren en het verhaal van een verpleegkundige uit die tijd: ‘Waarom ging het toen zo zoals het ging?’

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email